Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dr. L. Rabds. Zur Synderesis der Scholastiker in: Luthardt. Zeitschrift für kirchliche Wissenschaft nnd kirchliches Leben 1888 S. 384—391, H. Appel. Die Lehre der Scholastiker von der Synleresis. Gekrönte Preisschrift en Die Synteresis in der Mittelalterlichen Mystik in: Brieger. Zeitschrift für Kirchengeschichte 1893 en Zur Synteresis-Frage in: Theol. Lit. Z. 1896 nO. 24 S. 637 , Fr. Nit/.sch. Eine bestatigte Konjektur in Brieger. Zs. für K. Gr. 1897 u. 1898). Over de aandoeningen (affectus) wordt door den Aquiner breedvoerig gehandeld, soms met fijne analyse van psychische gegevens. De theologische deugden van Augustinus worden als bovennatuurlijke van de natuurlijke onderscheiden, die hier deels als diavorjzinal ageral (intellectus, scientia en sapientia) deels als rjfhxui dgsral (de 4 hoofddeugden) optreden, zoodat het geheel der deugden tot het 10-tal klimt (Kübel. Christliche Ethik I S. 31). Het geloof wordt eerst in de liefde volkomen ifides formata tegenover de fides informis) in welke volkomenheid feitelijk het potentiëele actueel wordt. Dat er in het Nieuwe Testament plaats is voor de „consilia evangelica" tegenover de „praecepta" meent de schrijver te moeten aannemen, gelijk hij ook buitendien van nadere onderscheidingen op het gebied der deugden en ondeugden niet afkeerig is (Neander. Vorlesungen über die Geschiëhte der Ethik S. 290, Wuttke. t. a. p., Gasz. t. a. p., K. Wernf.r. Der H. Thomas von Aquino 1858, Rietter. Die Moral des II. Thomas 1858, Charles Hargrowe. St. Thomas in: Modern Review 1880 p. 51—72, Matth. Schneid. Die Philosophie des H. Thomas in ihrer Bedeutung für die Gegenwart 1881, J. V. de Groot. Het leven van den II Thomas

van Aquino 1882).

Terwijl Thomas den wil door het verstand liet beheerschen, wenl door zijnen tegenstander Duns Scotus f 1308 de leer voluntas est superior intellectu met warmte bepleit, hoewel niet altijd met de noodige bezonnenheid en niet zonder gevaar voor den strengen ernst des zedelijken levens. De strijd tusschen Thomisten en Scotisten, van groot belang in de geschiedenis der Godsleer (zie mijne W. v. d. O. II § 33 onder 3), had ook in de zedekunde niet geringe beteekenis. Dat de wil in den zin van willekeur bij Duns Scotus optrad, kon niet

Sluiten