Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

theologische beginselen, leidden Bolingbroke en Bernard de Mandeville de zedekunde op een ander pad. In Schotland verhief zich, evenals in Engeland, onder den invloed van liet deïsme, het streven om de moraal onafhankelijk te maken van de dogmen der Kerk. Maar meer dan elders werd hier de behoefte gevoeld, om in het zedelijke leven eene vastheid van overtuiging te waarborgen welke in het empirisme slechts al te zeer gevaar liep verloren te gaan. Hier werd eene wetenschappelijke behandeling der gevoelsaandoeningen aanbevolen als grondslag voor eene theorie des zedelijken levens, waarbij evenmin het gezag van den Staat als van de Kerk naar het scheen behoefde te worden ingeroepen. Door Hujie en Smith werd inzonderheid het gebied der staathuishoudkunde betreden, maar in de school van Thomas Reid, vooral door Dugeld Stewaet en Thomas Browx , werden zedekundige vraagstukken -—• niet zonder talent — behandeld.

1. De zedekunde in Nederland. Terwijl aan de Wellevenskunst (1586) van D. V. Coornhert (1522—1590) — deze oudste ethica in eene nieuw-europeesche taal (zie Prof. Land. De wijsbegeerte in de Nederlanden 1899 bi. 53—91) misschien niet zonder beteekenis voor den zedekundigen arbeid van Spinoza — geen wijsgeerige waarde kan worden toegekend, mag Hugo de Groot (1583—1645) geacht worden ook op de zedekunde invloed te hebben uitgeoefend. In zijn beroemd: De jure belli et pacis (1625) verkondigde hij de leer van het „natuurrecht", dat in de rechtswetenschap eene gelijke rol vervulde als de „natuurlijke Godgeleerdheid" in de Theologie en uit den aard der zaak het zedelijk gebied van nabij moest raken.

Al heeft Cartesius (1596—1650) twintig jaar lang (1629—1649) door Nederland gezworven, toch was hij onze landgenoot niet. Zelf bewoog

Sluiten