Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 7.

De zedekunde sinds Kant.

Wie zich wijdt aan de zedekunde in den nieuweren tijd wendt allereerst zijn oog naar Duitschland. Hoe men ook oordeele èn over de zedeleer van Kant, op zich zelve beschouwd, èn over den invloed, door anderen op hem uitgeoefend, niemand ontkent dat de Koningsberger wijsgeer ook voor de zedekunde een nieuw tijdperk opende. Het beginsel der autonomie des zedelijken levens werd op eigenaardige wijze in zijnen kategorischen imperatief gehuldigd, en tegen alle eudaemonisme was zijn rigorisme gericht met zijne strenge opvatting van den plicht. Dat hij enkel een formeel beginsel in de zedeleer liet gelden is door velen — niet onder algemeene instemming — opgemerkt. Door Fbies werd eene andere houding ook op zedekundig gebied aangenomen, gelijk ook door J. Gr. Fichte. Kraijse, von Schelling en Hegel overeenkomstig het speculatief karakter hunner algemeene wijsbegeerte. Schleiermacher verhief zijne stem, om de rechten van gemoed en wil tegen de opperheerschappij van het denken in de scholen der speculatieve wijsbegeerte te handhaven, en het is op zijn voetspoor, dat Rothe bepaaldelijk de Christelijke zedeleer in nieuwe baan geleid heeft. Ook Beneke had groote zedekundige verdiensten en door Herjsart werd met talent de moraal van Kant aan kritiek onderworpen, al volgde hij in hoofdzaak diens stelsel.

Sluiten