Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1811—1831 bewerkte hij eene plichtenleer als „Mensc.hheitlebgesetzthum" naar den eisch van zijnen in 1808 gestichten „Menschlieitsbund." De onderzoekingen van Fe. W. J. von Schelling (1775—1854) hebben waarde met het oog op het vraagstuk zoowel der raenschelijke vrijheid (1809) als van den oorsprong van liet kwaad. De wijsbegeerte van Hegel (1770—1831) behandelde de ,,ethiek" in de leer van den „objectieven geest", die natuurlijk in verband met het geheel van zijn stelsel moet beschouwd worden. Merkwaardig is de onderscheiding van recht, moraliteit en zedelijkheid in zijne behandeling van het zedelijk-geestelijk leven. Met de ,,Moralitat" wordt het innerlijk-persoonlijke leven bedoeld, terwijl de „Sittlichkeit" op familie, maatschappij en Staat let. Deze onderscheiding is wèl geschikt om verwarring te stichten. Maar het moet erkend worden dat door theologen als Daub en Marheinecke de eer van Hegel ook op zedekundig gebied is hoog gehouden (J. macbrine Sterrett. The ethics of Hegel in: International journal of ethics vol. II n0. 2 1892 p. 176—201).

Of van F. D. E. Schleiermacher (1768—1834), terecht geëerd als vader der nieuwere theologie in het algemeen (zie mijne Wetenschap van den Godsdienst II § 6 onder 3 en § 35 onder 6), ook met het oog op de zedekunde in het bijzonder met evenveel ophef kan worden gesproken y. is aan twijfel onderhevig (Hoekstra, t. a. p. II bl. 247 vv., Bender. Schleiermacher''s Theologie 1876). In elk geval moeten van wege hun onderling verschil zijne zedekundige werken elk afzonderlijk worden gewaardeerd. In zijne: Grundliniën einer Kritik der bisherigen Sittenlehre (1803) gaf hij ongetwijfeld wenken van groot zedekundig belang. Twee jaren later verscheen zijn: Entwurf eines Systems der Sittenlehre. Misschien kan reeds in de Monologen (1800) de grondgedachte van dit werk worden aangewezen in aansluiting aan von Schelling's: Abhandlung vom Ich als Princip der Philosophie (1795). In 1835 werd door Schweizer (later door Twesten en Kirchmann) Schleiermacher's (wijsgeerige) zedeleer uitgegeven, waarin de moraal als wetenschap van het hoogste goed (Güterlehre) optrad, terwijl de lugendlehre en de Pflichtenlehre niet op den voorgrond traden, ter wille van de handhaving der

Sluiten