Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CimtsToPH SigWart mét zijne: Vorfragm der Ethik. Voorts vermelden wij nog — om slechts enkelen te noemen — Harald Höffding. Ethik 1888 — naast welken Deenschen wijsgeer, wiens „Etik" in 1897 in herziene uitgave te Koppenhagen verscheen, o. a. de Zweed Aberg moet worden genoemd, ook omdat hij met zijn in zijne wijsgeerige zedeleer (1893) ontwikkeld „individueel eupraxisme" (Prof. H. U. Meyboom. De ethiek in het Noorden in: 7heol. Tijdschr. XXXI bl. 569 vv.) strijd voert tegen de school van Boström (1797—1866), die als de Zwesdsche van Heusde kan worden gekenschetst, G. von Gizycki. Moralphilosophie 1888. Vorlesungen über sociale Ethik 1895, Fr. Paulsen. System der Ethik 1889, 4* Aufl. 1896, breedvoerig besproken door Dr. F. W. B. van Bell in Theol. Tijdschr. XXIV, Th. Ziegler. Sittliches Sein und sittliches Werden 1890 2te Ausg., A. Dorner. Das memchliche Handehi. Philosophische Ethik 1895 en W. Stern. Kritische Grundlegung der Ethik als positive Wissenschaft 1897. In § 5 onder 4 werden reeds door ons Luthersche theologen van den jongsten tijd genoemd, die op het gebied der zedekunde zich gunstig deden kennen. Namen als van Wtjttke , Martensen, Gass en Luthardt — om van anderen te zwijgen zijn algemeen bekend. Van oudere theologen moeten hier nog vermeld worden de reeds vroeger genoemde F. V. Reinhard (System der Chr. Moral 1788. Vom Werthe der Kleinigkeiten in der Moral 1793) en C. F. Staudlin (Philosophische und Biblische Moral 1805. Neues Lehrbuch der Moral für Theologen 1813), die beiden van lieverlede zich van Kant verwijderden, dien zij aanvankelijk hoog vereerden, gelijk ook het geval was met C. 1'. von Ammon (Vollstandiges Lehrbuch der Christlich-religiösen Moral 1806 en Handbuch der Christlichen Sittenlehre 1823—1829). De Christliche Sitten-

lehre (1819 1821) van L. de Wette, die boven velen uitmuntte, stond

onder den invloed van Fries. In het Lehrbuch der Christl. Sittenlehre van L. F. O. Baumgarten- Crtjsius meenen sommigen bekendheid met Schopenhauer's meeningen te kunnen aanwijzen. Onder de volgelingen van Hegel (zie mijne Wetenschap van den Godsdienst II § 6 onder 6) moeten vooral Karl Daui: {System der Theol. Moral, in 1840 uitgegeven na 's schrijvers dood) en Philipp Marheinecke (System der Theol. Moral, in 1847

Sluiten