Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1860 hl. 141). t)at men het niet ver gebracht had in wijsgeerige ontwikkeling, bleek wel in de wijze waarop men voor en tegen Kant schreef (zie mijne Weienschap van den Godsdienst § 5 onder 5. Sepp. t. a. p. en Land. De wijsbegeerte in de Nederlanden 1899 bl. 103 vv.). Intusschen moet erkend worden, dat o. a, Wyttenbach (Vila Ruhnkeniï) beter de fouten der kritische wijsbegeerte wist aan te wijzen dan b.v. Borger (De myslicismo) geacht kan worden eenen jnisten blik op de bespiegelende wijsbegeerte dier dagen in Duitschland te hebben geslagen. Voor zoover in dien tijd van wijsgeerige studie gesproken kan worden, moet men erkennen dat zij een praktisch karakter had. Of Sepp (t. a. p. bl. 335) juist oordeelde, toen hij het verval der zedekunde verklaarde uit liet verval der dogmatiek, zij hier in het midden gelaten. Zeker is, dat — afgezien van bearbeiding van de „bijbelsche zedeleer", o. a. door het Haagsch Genootschap uitgelokt — in de eerste helft dezer eeuw de zedekunde weinig belangstelling vond. Het was daarom te meer toe te juichen, dat Jacob Nieuwenhuis (1777—1857) in 1847 de Grondscliets voor een stelsel der zedelijke wijsbegeerte van Martensen hier te lande bekend maakte. Intusschen was reeds vijf jaar vroeger het in menig opzicht voortreffelijk handboek van L. G. Pareau over de InstUutio Christiana moralis verschenen (door van Gilse in de: Gids 1856 beoordeeld). Ook moet met eer genoemd worden, wat hetzij in geschriften hetzij in de akademische gehoorzaal geleverd werd door Wopko Cnoop Koopmans (wiens „Christelijke zedekunde" besproken werd door Dr. Daubanton. 7 heol. Stud. VII bl. 293—347 en 381—435) — door van Gilse (o. a. t. a. p.) — door F. J. Domela Nieuwenhuis (Schets der Christelijke zedeleer) — door H. J. Koijaards (Schets der Christelijke zedeleer ten leiddraad voor zijne academische lessen) — en door N. C. Kist (De vrije wil of de mensch, een redelijk en zedelijk vrij werkend weztri). Maar hoe gunstig men ook oordeele over den arbeid van deze mannen, zeker is daaraan eene zelfstandige wijsgeerige waarde moeielijk toe te kennen. Het kon in de gegeven omstandigheden 5Ir. Opzoomer niet moeielijk vallen veler aandacht te trekken door zijne voorlezingen over lift wezen der deugd (1848), waartegen W. Francken optrad met

Sluiten