Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEERWIJZE DER PROJECTIËN.

§ 5. Een punt A, buiten een plat vlak H (Fig. 2), op dat vlak te projecteeren, wil niets anders zeggen, dan het voetpunt A' aan te wijzen van de loodlijn, die uit het punt A op het vlak H kan worden neergelaten. Dit voetpunt A' is dan de projectie en de loodlijn AA' de projecteerende lijn van het punt A op het vlak H.

Is II een plat vlak, dat men heeft aangenomen met het doel om daarop verschillende punten te projecteeren, dan verkrijgt dit vlak den naam van projectievlak.

Een punt C, dat in het projectievlak ligt, kan daarop eigenlijk met geprojecteerd worden; zulk een punt kan echter beschouwd worden als zelf zijne projectie te zijn.

§ 6. Is van een punt A, behalve de projectie A' op een vlak II, nog de projectie A" gegeven op een tweede vlak V, dat het eerste volgens de lijn OX snijdt, dan zal het punt geheel bepaald zijn als snijpunt van de lijnen die in A' en A" loodrecht op de beide vlakken kunnen worden opgericht.

Tot bepaling van een punt in de ruimte zijn derhalve minstens de projectiën op hvee elkander snijdende vlakken noodig.

§ 7. Men neemt tot projectievlakken doorgaans twee onderling rechthoekige platte vlakken aan. Ofschoon overigens een willekeurige stand aan deze vlakken kan worden gegeven, denkt men zich meestal tot meerder gemak, vooral in den beginne, deze vlakken als horizontaal en verticaal.

Het eerste vlak wordt het horizontale, het andere het verticale vlak van projectie genoemd, terwijl hunne doorsnede de as van projectie heet. Waar het tot geene dubbelzinnigheid aanleiding kan geven, noemt men deze vlakken en hunne doorsnede kortweg: het horizontale vlak, het verticale vlak, de as.

Sluiten