Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OEFENINGEN.

1. De verticale projectie van een punt te bepalen, indien zijne horizontale projectie en zijne hoogte boven of diepte beneden het horizontale vlak gegeven zijn.

2. De horizontale projectie van een punt te vinden, indien zijne verticale projectie en zijn afstand vóór of achter het verticale vlak gegeven zijn.

3. De drie projectiën van een punt te vinden, dat op gegeven afstanden van de drie projectievlakken ligt. Teeken de punten A (2, 3, 4), B (4, —3, 2), C (1, 0,-2), D (0,-2,-3) en E (-1, 2, 0).

4. Van een punt is de derde projectie gegeven binnen den hoek ZOX der assen. Indien nog bekend is het punt waar de vereenigingslijn der beide andere projectiën de as snijdt, vraagt men de horizontale en de verticale projectie van het punt te bepalen.

5. Kan van een punt de derde projectie samenvallen met de verticale? Kunnen de drie projectiën van een punt samenvallen?

Zoo ja, wat weet gij dan van de ligging van dit punt in elk dezer gevallen?

6. Teeken de drie projectiën van eene rechte lijn die gaat door de punten A (0, 4, —3) en B (6, —2, 0).

Idem, door de punten C (2, —3, 2) en D (2, 2, —5).

7. In eene gegevene lijn een punt te bepalen dat op een gegeven afstand van een der projectievlakken ligt.

Bepaal b. v. in elk der lijnen AB en CD, in n°. 6 bedoeld, een punt P, dat op een afstand 2 boven het horizontale vlak ligt, en een punt Q, dat in het verticale vlak is gelegen (dus afstand = 0).

8. In eene gegevene lijn een punt te bepalen dat op gelijke afstanden ligt van het horizontale en van het verticale vlak.

Sluiten