Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28. Construeer de projectiën van de lijn, die den hoek van twee elkander snijdende lijnen middendoordeelt, indien de projectiën van het snijpunt der lijnen buiten de grenzen der teekening vallen.

29. Door een gegeven punt eene lijn te trekken,

a. die evenwijdig aan het verticale vlak is en een gegeven hoek maakt met het horizontale vlak;

b. die de as van projectie rechthoekig kruist en een gegeven hoek maakt met het verticale vlak;

c. die evenwijdig is aan twee gegeven vlakken.

30. De doorsnede te construeeren van twee gegeven vlakken A en B, indien de doorgangen van het vlak A in elkanders verlengde vallen, en

a. ditzelfde ook bij B het geval is, terwijl beide vlakken door eenzelfde punt der as gaan;

b. B een vlak is, evenwijdig aan de as, welks doorgangen in de constructiefiguur samenvallen boven de as;

c. B door de as van projectie gaat;

d. B door de as van projectie gaat, terwijl de derde doorgangen van A en B evenwijdig loopen.

31. De drie projectiën te construeeren van eene lijn, die de as rechthoekig kruist, evenwijdig loopt aan een gegeven vlak en door een gegeven punt gaat.

32. In een gegeven hellend vlak eene lijn te trekken, die evenwijdig loopt aan het horizontale vlak.

33. Het snijpunt te bepalen van eene lijn met een vlak, indien:

a. de lijn loodrecht staat op de as van projectie en het vlak een willekeurigen stand heeft;

b. de projectiën van de lijn elkander bedekken en de doorgangen van het vlak in elkanders verlengde vallen;

c. het vlak door de as van projectie en door een gegeven punt gaat en de lijn een willekeurigen stand heeft.

34. In een vlak, gaande door de punten (2, 2, 3), (5, —2, 4) en (7, — 3, — 4) is een punt gelegen, welks verticale projectie in het punt (3, 0, 1) valt. Construeer de horizontale projectie van dit punt.

35. Het snijpunt te bepalen van drie gegeven vlakken A, B en C, indien:

a. de verticale doorgangen van A en B evenwijdig zijn en C loodrecht staat op het horizontale vlak;

b. A en B loodrecht staan op het verticale vlak en C de as snijdt;

c. A evenwijdig is aan de as, B door de as gaat en C een vlak is, welks doorgangen in elkanders verlengde vallen.

Sluiten