Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet uit tot gronden, waarop \ersterkingen, Gouvernements-of openbare gebouwen staan, dan wel kerkhoven, graven, publieke wegen, kanalen of spoorwegen zijn aangelegd, noch tot gronden, welke naar de instellingen der inlanders als gewijde beschouwd worden, of waar het doen van opsporingen, om redenen van algemeen belang, ter beoordeeling van den Gouverneur-Generaal, wordt verboden, noch tot binnen een bij ordonnantie te bepalen afstand van de vorenbedoelde gronden.

(3) Zij strekken zich ook niet uit tot gronden, waarop woonhuizen of fabrieken slaan, noch tot de gronden, welke die woonhuizen of fabrieken tot een bij ordonnantie le bepalen afstand omgeven, tenzij de toestemming van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden verkregen zij.

Artikel 9.

De rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden zijn gehouden het doen van opsporingen in den grond te gedoogen:

a. mits zij door den houder der vergunning vooraf, onder vertoon van de vergunning of een authentiek afschrift daarvan, in kennis gesteld zijn met diens voornemen tot het doen van opsporingen en met de plaats waar die zullen geschieden;

b. tegen vooraf genolen of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens voorschriften bij ordonnantie vast le stellen.

Artikel 10.

(1) De vergunning tot het doen van opsporingen geeft den houder, met uitsluiting van ieder ander, het recht, om overeenkomstig de voorschriften dezer wet en de bij de vergunning gestelde voorwaarden, in het onderzoekingsveld alle werkzaamheden te verrichten, noodig tot opsporing van de in art. 1 genoemde delfstoffen of teil doel hebbende den aard der aangetroffen delfstofafzetlingen en der daarin voorkomende delfstoffen te beoordeelen.

(2) Over de door hem verkregen delfstoffen mag de opspoorder, behoudens de rechten van anderen en het bepaalde in de artt. 55 en 36, vrijelijk beschikken.

(3) Heigeen in de artt. 24, 25 en 26 bepaald is omtrent concessionarissen en ontginningen is eveneens van toepassing op houders van vergunningen tot het doen van opsporingen en de door ben verrichte opsporingen.

Artikel 11.

De vergunning vervalt van rechtswege:

o. bij het verstrijken van den tijd, waarvoor zij verleend of verlengd is. b. indien de houder ophoudt aan de in art. 4 gestelde eischen le voldoen;

Sluiten