Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leeneu van vergunningen voor het doen van opsporingen en van concessiën tot ontginning bij overeenkomst aan het Gouvernement van Nedcrlandsch-Indië hebben overgedragen.

(2) De in verband met het genot van zelfbestuur noodzakelijke afwijkingen van deze wet, en hetgeen daarvoor in de plaats moet treden, worden voor evenbedoelde gedeelten van Nederlandsch-lndië bij ordonnantie vastgesteld.

Artikel 45.

(1) Deze wet is, behoudens de daarin vastgestelde regeling van den cijns voor concessiën en behoudens bij de wel goedgekeurde overeenkomsten betreffende ontginningen, van toepassing op vóór hare inwerkingtreding verleende vergunningen tot opsporing en concessiën tot ontginning.

(2) De voor concessiën, verleend vóór het in werking treden dezer wet, vastgestelde regeling van den cijns, kan ten verzoeke van de belanghebbenden met deze wet in overeenstemming worden gebracht.

(5) De concessiën, reeds verleend voor de winning van andere delfstoffen dan in art. 1 dezer wet genoemd, blijven gehandhaafd.

Artikel 46.

(1) Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van «Indische mijnwet".

(2) Zij treedt in werking op een nader bij ordonnantie te bepalen datum.

Listen en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige lïitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Königswinter , den 23,len Mei 1899.

WILHELMIMA.

De Minister van Koloniën,

Crkmlr.

Uitgegeven den eersten Juni 1899.

De Minister van Justitie,

Cort v. d. Linden.

En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, beveelt de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndië, den Raad van Nederlandschlndië gehoord, dat deze in het Staatsblad van Nederlandsch-lndië worde geplaatst en dal daarvan, voor zooveel noodig, vertalingen in de Inlandsche en Chineesche talen worden aangeplakt.

Sluiten