Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er wat jasmijn bij en gouden regen. Laat Frits jelui maar helpen. Bloemen moeten we in overvloed hebben."

En zij springen weer heen.

Otto daalt van zijn verheven standplaats af. Het mandje met seringen houdt hij onder zijn arm en met een zucht van verlichting volgt hij zijn broer en zusjes. Zij loopen niet; ze huppelen en springen.

„Heerlijk dat het Zondag is!" roept Otto vroolijk. „Ik heb mijn schoolwerk al af. Jij ook, Frits?"

„Nou, óf ik, hoor! Vandaag gaan we pret maken. Hoera!"

Frits grijpt de beide handen van Anna en danst met haar in het rond. Juichend voegt Marietje zich bij hen en is niet tevreden vóór Frits ook met haar gedanst heeft. Dan weer met Anna. Steeds luider klinkt hun geschater.

Alleen Otto, verheven boven zoo'n gestoei, vervult met veel ernst en waardigheid zijn plicht. Geknield bij de viooltjes, plukt hij ijverig.

Geheimzinnig, plechtig, dringt het gelui van verre kerkklokken tot hen door....

Marietje steekt haar wijsvingertje in de hoogte.

„Hoor!" zegt zij.

Langs het tuinhek gaan menschen in Zondagsche kleeren. In de handen houden zij kerkboeken, die blinken in de zon.

Het is bijna warm. Vogels zingen in de boomen, bloemen geuren; alles schijnt als tot een nieuw leven te zijn ontwaakt.

Bonte vlindertjes dartelen van bloem tot bloem. Bijen gonzen ....

Sluiten