Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wellicht even boos is. Niet het geluk vraag ik, omdat ik weet, dat het schijn is en niet meer dan een schoonen naam voor naderend onheil. Al wat mijn gebroken hart nog in staat is te vragen, dat is vergetelheid en vernietiging. En deze — ik gevoel het — zullen mij geworden. Heb dank, priester van Boeddha, en ga in vrede."

Toen het gordijn dicht viel, scheen er een gloor door het boogvenster als van het rijzende maanlicht. De oude vorst, die achter den voorhang stond, zag dat, en sidderde.

„Wie redt mijn kind, wie redt mijn kind!" zoo snikte hij in doffe wanhoop.

Maar geen der wijzen durfde de prinses toespreken, na al wat zij gehoord hadden.

„Welnu," sprak de oude vorst, „men ontbiede den jongen man uit het volk, die wacht op de trappen van het paleis."

En hij kwam.

Met vaste schreden doorliep hij de rijen van rijksgrooten en wijzen. Zijn droomend oog zag hen niet. De oude vorst trad voor hem:

„Wie zijt gij, man uit het volk?"

„Ik ben een dichter."

De voorhang werd geopend. Het schemerlicht der rijzende maan vervulde reeds het vertrek. De dichter knielde neer en weende bij het aanschouwen der lijdende vrouwe. Sprak hij, of sprak hij niet? Een geruisch ver-

Sluiten