Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles zou hij ooit kunnen bereiken, want hij was immers dom, kende zijne lessen niet eens. Waarom zou hij dan blijven bestaan? Zou hij ooit gelukkig zijn? Wat was dat wel, g^luk? Hij wist het niet. Of hij voelde zich ongelukkig, óf hij voelde niet. En dan hoorde hij altijd van zijne ouders, dat de jeugd zoo gelukkig is! Hoe zou het leven dan later wel zijn, misschien altijd ongeluk! Maar waarom zou hij dan blijven bestaan? Waarom sprong hij nu niet naar beneden? Want, dat hij voor anderen van nut zou kunnen zijn, dat kwam in zijn klein, egoïstisch hoofd nauwelijks op. En al was er ook een klein oogenblik eene dergelijke gedachte in hem, dadelijk verwierp hij deze: hij nuttig voor anderen, hij was immers dom, zei men. En zijne gedachten drongen rond in zijn hoofd, zoodat hij niet meer luisterde naar het klinken der voetstappen van voorbijgangers.

Waarom bleef hij nu stilzitten, terwijl hij zoo gemakkelijk voor zich aan alles een einde kon maken door eene kleine beweging? Weer keek hij over den rand. Hoe flikkerde die lantaarn, doordat er een ruit in stuk was. Zou dat met een steen gedaan zijn? Wie zou dien gegooid hebben? Even dwaalden zijne gedachten af van zijn waarom. Maar met een schrik kwam hij er weer op terug, want er naderden weer voetstappen. Hij voelde naar den brief in zijn zak, dien vreeselijken brief.

Neen, hij kón er niet mede naar zijn vader gaan, hij durfde niet, hij zou maar aan alles een einde maken. Dat was hij nu vast besloten. En hij stond op, nu rechtop in de goot met één voet op den rand en sneller en sneller herhaalde zich steeds diezelfde vraag:

Sluiten