Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

durende de reis van het stoomschip naar D j a m b i en terug en dan deel te mogen nemen aan eene jacht op koningstijgers, welke monsters in den omtrek van dien post zoo veelvuldig voorkwamen, dat Van der Leeuw ter vergelijking de wel wat overdreven uitdrukking bezigde: „zoo talrijk als de musschen in Holland."

Geene waarschuwing van den gezagvoerder kon hem van zijn voornemen afhouden, hij moest, hij zou eene tijgerjacht mede maken met zijn vriend, den in Indië algemeen bekenden onverschrokken tijgerjager, want wat die durfde doen, durfde hij ook te ondernemen.

„Hoor eens kerel," zeide Van der Leeuw ten slotte, „ga jij je koers, je zult wel bakzeil halen als 't zoover is, maar als die judassen je opvreten, denk dan eens aan wat ik je gezegd heb."

"V assers antwoordde hierop lachend, dat hij er om denken zou, als zoo'n tijgertje bezig was om hem op te kluiven.

Kapitein d'Horvan was een van die ijzervreters van dien tijd, die van de laagste rangen af, door moed, beleid en doorzicht zich hunne positie veroverden,' die zelfs den duivel niet vreesden, die onder de vaak ruwe schors een hart van goud verborgen, en zeer goed zooals men zegt, „de zon in het water konden zien schijnen."

Zijn beenig, hoekig, door de zon der tropen gebruind gelaat, omringd door kort afgeknipte zwarte, hier en daar grijzende haren, getuigde van wilskracht en onversaagden moed, terwijl zijn schijnbaar tenger gebouwd lichaam groote spierkracht en lenigheid verried. Twee zware snorren versierden zijne bovenlip en eene lange puntige sik voltooide het geheel. Deze laatste moest het

Sluiten