Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het afstammen, maar het zal u niet gemakkelijk vallen uit te maken of de glimmende hoed nader in de „permetasie" is van den een dan van den ander. Stof en bol zijn beslist zuidwestersch, de rand is meer stekerig van vorm. Onmiskenbaar van oorsprong is echter de glimmende knoop, dien Manes in den linker omslag van zijn jas draagt. Hij heeft nl. al de koperen knoopen met anker uit zijn zeemanstijd goed bewaard, en aan eiken jas, ook van zijn beste pak, zit zoo'n glimmend

gepoetste herinnering.

Men dacht wel eens een gedécoreerde te zien, en een kruis of lintje zou best passen bij dat figuur, waaruit een guitig, oud, gebruind gelaat u toelacht, met groote oogen, een haviksneus, grijze bakkebaardjes en gladde gouden ringetjes in de ooren.

Manes mag de jongens wel, maar ze kunnen hem soms zoo plagen, die ondeugende rakkers, en er zijn „loerooren" *) bij ook, die hij, och zoo graag, eens in

het ootje neemt.

Wat is er gelachen om Jan van Leeuwen, dien hij

er zoo lekker liet inloopen met de eerste kersen.

Manes had een zestal bosjes op de „kroejker" 2), elk van tien kersen, bij elkaar gehouden door een wit draadje, en met gretigen blik zagen de jongens ze aan.

„Keerse sónger schtein!3). Twee cents 'et bösselke! *)• Keerse sónger schteinriep Manes uit volle borst.

1) Geniepigerds.

2) Krui-kar, kruiwagen; ook schörgs-kar, van schörgen, d. i. kruien.

3) Kersen zonder steenen.

4) Verkleinw. van Bössel: bos.

Sluiten