Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bram, we moeten er toch eris over praten."

„Waarover?" veinst de krachtige, breedgeschouderde reus, met eenig schuldgevoel verlegen op zij uit blikkend.

„Over onze zaken." En Jacob zucht bij de pijnlijke schooljongenshouding van zijn vijf jaar ouderen broeder en bij de herinnering aan hun jeugd, toen Bram wilgenfluitjes voor hem sneed en schildvinken voor hem ving en bunsingsprengen voor hem opstelde.

„Bram, het grieft me, dat het zóó gaat en denk eris aan vader; morgen wordt 't een jaar, dat hij op zijn doodbed ons smeekte: „„Jongens, zie samen de zaak aan te houden en Bram, laat je door Jacob leiden en verdrink toch je ziel en je zaligheid niet."" — Maar 't kan zoo niet langer: 'k geloof, dat vader, als hij me hooren kon, het me toestemmen zou."

De groote, sterke man leunt met zijn ellebogen op de tafel, zijn breed, vleezig gelaat tusschen de grove handen verbergend en nu en dan het hoofd wanhopig schuddend: een vlaag van wroeging, waaraan Jacob gewend was en die geregeld bij het reuzige kind weerkeerde, als hij in zijn nuchtere oogenblikken aan zijn uitspattingen herinnerd werd.

„Jacob," snikt hij, „waarachtig Jacob, ik drink geen druppel meer," en hem met de kleine, grijze oogen strak in het gezicht blikkend, tracht hij zijn broeder te doordringen van de heilige ernst zijner belofte.

Doch deze ziet hem ongeloovig aan en zucht weer.

„'k Heb er ernstig over gedacht, Bram, maar 't kan zoo niet langer, 't kan niet langer! Kijk eris, wat we dit jaar minder boomen afgeleverd hebben, dan de jaren toen vader nog leefde. De klantjes in Noord-Holland

Sluiten