Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met haar doode, klanklooze stem. „Foei, Sijp, je mot den baas de worst niet uit zijn hand krabben."

De parmantige doeshond, die een soort patronaat over de dikke, grijze kat uitoefent, staat bij deze vermaning grommend op en hapt naar Sijp, om haar manieren te leeren.

„Bram blijft lang weg," schreeuwt Jacob nog eens, maar nu zoo hard, dat Does kwaadaardig aanslaat.

„O, Bram ! Ja zeker, 'k zal voor hem ook klaarzetten."

Jacob geeft het op en de oude Daatje, waar hij en Bram nu al eenige jaren 's nachts vóór en na marktdag logeeren — ze komen nu ieder tweemaal 's weeks met bloemen naar de markt — spreidt de kermisbedden op den vloer met een trek van goedigen ernst om het ingevallen besjesmondje. Zorgvol sleept ze haar warmste dekens uit de alkoof; „op den vloer hè-je altijd last van trekking en zij zou wel onder der baaien rokken kruipen."

„Jacob," klinkt het goedhartig.

„Wat is 't, Daatjemeui?"

„Ken 't zoo? Die dekentjes bennen goed warm en dat mag wel ook: 't is een koude avond."

„Maar waar mot jij nou onder slapen, mensch?" tracht Jacob haar te beduiden met geschreeuw en allerlei gebaren.

„O, ik leg er warrempies onder, 'k' Zal maar sluiten hè? Op Bram ken je toch niet wachten."

„Goed," en met treurend hart over zijn broer, die in beruchte kroegen zijn lichaam verwoest en zijn zuurverdiend geld, waarnaar zijn gezin snakt, wegsmijt, legt hij zich te rusten op zijn matras.

Sluiten