Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Besje glijdt als een schim in haar witte nachtjak en nachtmuts door de kamer om de lamp nog wat neer te draaien en begraaft zich dan in haar alkoof onder de baaien rokken, koesterend geflankeerd door Does en Sijp.

Jacob wendt zich onrustig op zijn peluw en, denkend aan het nijpende gebrek in Brams groote gezin, komt hem een felle haat in het hart tegen den zwendelaar. Trillend telt hij de slagen, die de oude staartklok elk kwartier aangeeft tot de slaap hem overmant.

Een geweldige trap tegen de deur doet hem wakkerschrikken en terwijl Does kwaadaardig gromt en Daatjemeui uit de alkoof komt sloffen, opent hij met bonzend hart de deur. Vloekend rolt Bram binnen, met een zwaren smak languit op den vloer.

„Nachtlooper," sist Jacob, hem met ijzeren vuist den arm omknellend als in een klemschroef, terwijl hij hem opricht en op een stoel duwt. „Maak, dat je op je bed komt en slaap je roes uit."

Hij moet zich de sidderende en van woede kramptrekkende armen bedwingen, om zijn liederlijken broer niet te smijten op zijn legerstee en te ranselen als een hond....

Maar de uitpuilende oogen van den dronkaard draaien onheilspellend in de kassen en, uitbrakend een stroom van verwenschingen, stort hij zich op Jacob, in de vuist het vlijmende, kromme snoeimes uit zijn zakscheede.

„'k Zal je vermoorden," krijscht hij met schorren schreeuw en opbonkend tegen de tafel, stoot hij de lamp op den grond, die gruizelend neerploft en uitdooft in den val.

Sluiten