Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar Jacob heeft den woesteling bij de vuisten gegrepen en voelt een kracht door zijn spieren vloeien, waarmee hij de grove polsen zou kunnen verbrijzelen onder zijn vingerdruk.

„Jongens, o God, Bram, 't is je eigen broer, bega geen moord," gilt het oude vrouwtje, dat in haar wit nachtgoed lichtplekkend door de akelige duisternis spookt, terwijl de dronkaard tiert en kermt en Jacob zijn dwingende energie uitknarst in een schril tandengeknoers.

Eindelijk heeft Daatje licht ontstoken, dat flikkert in het blanke, kromme lemmet in Brams vuist. Jacob's pols bloedt en roode vlekken op het beddelaken schreeuwen in het lampschijnsel. Hij zegt niets, maar zijn tandengeknars schrijnt huiveringwekkend door de vloeken van zijn broeder.

Plotseling draait hij met reuzenkracht Brams hand, die het mes omklemt, en beukt die tegen den scherpen kant van den deurpost, dat de dronkaard kreunend het mes laat vallen en tegelijkertijd smakt hij hem op zijn leger.

Het verschrikte vrouwtje heeft het mes vlug weggemoffeld en Jacob zet zich op een stoel, zijn broeder in het oog houdend als een woedende stier zijn aanvaller. Bram staat zwaaiend op, schuw naar zijn overwinnaar blikkend en het besef warrelt vaag door zijn duizelig brein, dat Jacob zijn meerdere is in kracht. Vloekend stommelt hij de deur uit en de trap af.

„God weet, wat hem van nacht overkomt," hijgt Jacob, „maar 'k heb lang genoeg gesidderd voor 'm, als hij thuiskwam als een zwijn. Nou is 't uit...."

Daatje bukt haar rimpelig gezichtje over de scherven op den vloer, trachtend de olie op te betten met een spons.

Sluiten