Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en duwt met groote krachtsinspanning de massieve schotsen onder het ijs.

En als hij even later weer terugkomt, om water te scheppen, tengelt de bodem van den emmer op een taai ijsvliesje. De hengsels killen door de wollige wanten, dat zijn vingers steken, en, zijn last neerzettend in het portaal, beukt hij zich de handen klappend op de schouders.

De koesterende warmte in de kamer stooft hem bij het binnentreden als een atmosfeer van huiselijkheid tegen en de groote schotel met dampend eten op het blanke tafellaken geurt hem appetijtelijk aan. Zijn vrouw, bleek en broodmager met het holoogige en afgesloofde op het gelaat, dat nacht en dag zwoegen en zorgen voor het groote gezin en schrale voeding doet vermoeden, — heeft de zes dreumesen als een opklimmende reeks om de lange tafel geplaatst, de jongste van nog geen jaar in den kinderstoel naast zich. Vader schikt aan en nauwelijks heeft hij het „amen" gefluisterd, of van den oudsten, den zesjarigen Jacob — den eenigen jongen -— te beginnen, raffelt ieder op zijn beurt, met eerbiedige kieroogjes en de handjes vol devotie saamgevouwen vóór hun bordje, zijn gebedje als een haastig afloopend wekkertje, tot de tweejarige Mies in gebroken woordjes besluit: „Heere, zegen deze spijze, amen," — het sein, waarop ieder den aanval begint.

„Lekker pekkie! Pappa, lekker pekkie!" smakt Mies met het besmeerde mondje, doelend op de kanen — een geschenk van Jansjebuur — in den gestampte-pot.

Het belletje van den winkel tingelt.

„Blijf maar zitten," zegt Jacob en glurend door het

Sluiten