Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zemelboer mee .... Verbeel-je.... ze hebben ook twee

zulke kleintjes als Jacob en Trui Wat zeilen die

wurmen 't koud hebben met dat strenge weer."

,,'k Zal der een brokkie spek bijdoen.... We hëbben pas geslacht," zegt Jansjebuur.

Bram is al sedert lang gebrouilleerd met zijn broeder, wiens goedig gelaat hem altijd een gloeiend verwijt leek. Telkens als Jacob zich zwijgend met het naar huis brengen van zijn bloemenschuit had belast, waarin Bram wezenloos lag uitgestrekt, of op de markt diens zaken behartigde, als hij in de kroeg zat te zwetsen, voelde Bram de haat groeien in zijn hart tegen den broeder, dien hij benijdde en dien hij niet in het eerlijke gelaat dorst zien. Zijn vroegere zelfbeschuldigingen vol wanhopige wroeging na eiken roes hadden plaats gemaakt voor booze luimen vol wrok en afgunst en bitterheid, als zijn zelfbewustzijn weer door de nevels van bedwelming heen klaarde.

Juist hakte hij de bijt open, toen Jacob met een beladen slede voor de stoep stil hield.

„Wat moet jij hier, verd....?" vloekt Bram, vermoedend de reden van zijn broers komst en ziedend van haat bij de gedachte, dat hij dezen zal moeten bedanken, „'k Heb jou giften niet noodig en als je 't hart hebt, je rommel binnen te brengen, dan smijt ik 't in de bijt...."

Zijn roodbeloopen oogen glanzen waterig en de paarse aderen op zijn dronkemansgelaat zwellen toornig.

„Bram!" smeekt Jacob met deernis het verwoeste gelaat van zijn broeder aanschouwend en sidderend bij

Sluiten