Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gedachte aan een beroerte, die dat vooze, kwaadsappige lichaam zou kunnen treffen. „Bram, denk aan je arme gezin ... . "

Als eenig antwoord springt deze op het ijs, met de bedoeling de slee in de bijt om te kantelen. Jacob duwt hem op zij en keert terug, tegelijk met wrok en innige ontferming in het hart.

„De kerel is gek," schreeuwt Jansjebuur, als Jacob haar het geval vertelt en haar man schudt wijsgeerig het hoofd met zekere gebaren: „Gek niet vrouw, gek niet, maar hij is opgeschreven voor 't delirium, of ik heb 't mis. Arme kerel! Pakje slee niet uit, Jacob! Ik zal gaan en zeggen, dat ie alles van mij krijgt en dat ik jou gevraagd had, of je 't brengen wou."

De goede man vond Bram in een hoek van zijn vertrek, snikkend als een kind ....

III.

Zuchtend keert Mijntje terug: lang had ze gestaard aan het eind van de werf, of ze de zware riemen al loom zag plempen door de breede sloot.

„Nog niet en al de markters bennen al een halven dag thuis.!.. En om vier uur zou de pottenfabrikant terug komen om zijn geld...."

Een traan welt in haar ooghoeken op en om den mond plooien zich de droevige rimpels van zorg en lijden dieper en de krommende, afgesloofde gestalte teekent een moedeloos verlies van alle veerkracht.

Sluiten