Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, met wie ik al dadelijk op den besten voet stond. Den ballast hadden we al in, onze inkoopen waren gedaan, en ons werk was voor dien dag nagenoeg afgeloopen, zoodat we niets te doen hadden dan te genieten van den prachtigen Octobermiddag.

De Kalkhaven, waarin we met meer andere schepen lagen, baadde zich in 't zonlicht. De boomen, aan de haven gerijd, schitterden in kleuren van smaragd en van goud. Geen windje verstoorde de najaarspracht. Wel trilde er af en toe de bladerenmassa, als een zwerm musschen met groot misbaar van de straat in de boomen vloog, die dan een regen van goudgele blaren naar omlaag zonden. Loodrecht dwarrelden ze naar beneden, zich aan den voet der boomen uitspreidend tot een gouden kleed. De stammen der boomen waren — de een meer, de ander minder — bedekt met heldergroen mos, waarop de zon en de schaduw der blaren van zusterboomen de grilligste lichteffecten te voorschijn riepen. De kaai was gestoffeerd met veel sjouwers, die in schilderachtige groepen tegen de huizenrijen lagen of stonden, wachtend op de komst van een houtboot, die ze aangenomen hadden te lossen. Wandelaars schenen geen oog te hebben voor het havenschoon: men zag ze slechts bij uitzondering hier. Behalve de sjouwers, een bakker met zijn op de straatsteenen botsende broodkar, een slager met zijn goedgevulde mand aan den arm, enkele schippers en een hengelaar, die bij het „kippebruggetje", aan den mond der haven, wanhopige pogingen deed om een baarsje te verschalken, — zag men geen levende ziel op de Binnen-Kalkhaven. Maar des te levendiger was 't in de haven zelve. Twee zeebooten

Sluiten