Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen en deed een zakdoek over zijn rood gezicht. Na een paar minuten snurkte hij.

Herman zat naast Marie, die gaapte en zich de oogen wreef; hij liet zijn hoofd in zijn handen leunen en keek mistroostig naar de blauwe lucht. In de nabijheid speelden een paar Scheveningsche kinderen, die er onoogelijk uitzagen en met schelle stemmen schreeuwden. De twee jongens gooiden elkaar met zand in de oogen en begonnen uit volle borst te huilen.

Waar waren ze, de droomen van vroeger, die Herman gedacht had dezen middag opnieuw te zullen doorleven .. .. ?

Hij trachtte een gesprek met Marie te beginnen.

„Mooi, hè, die blauwe luchten! Wat konden we vroeger soms uren daarnaar kijken!"

„Ja-a a," antwoordde ze lui. „Toen deden we nog zoo nuchter als schoolkinderen. Heb je dien mallen brief nog altijd van me? Je hebt zeker wel om dat ding moeten lachen — als kinderen kun je soms toch zoo raar doen, hè!"

Wel neen, hij had dien brief niet meer. Hij had hem al lang verscheurd. En ja — wat had hij om dat malle ding gelachen .... hij moest er nóg om lachen als hij er aan dacht.

„Je zult nu zeker wel eens aan trouwen gaan denken — zijn er nog al veel mooie meisjes in Rotterdam ?"

„O hé — aan eiken vinger een. Ja, ik zal er nu wel gauw een aan den haak slaan. Maar ze moet een boel geld hebben."

„Wel ja, dat zeg ik ook. Als Hellouw niet een aardig fortuintje had gehad, zou ik hem misschien niet eens

Sluiten