Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vuurpeloton heeft den pas versneld en schaart zich aan weerszijden van den weg. De karabijnen worden omhooggeheven en als de koets de poort onderdoor is gereden, klinkt dreunend het eerste salvo. Kruitwolkjes zweven een oogenblik om en over het lijkkleed heen en stijgen dan, zich langzaam verdunnend, op, naar boven, naar het onzichtbare.

Voort schokt de koets, altijd voort. De paarden hebben even den stap versneld; maar dra vervallen ze weer in hun wezenloozen sjokgang.

Uit een boerenwoning schiet een nijdige keeshond naar voren en grijnst, woedend blaffend, den zwarten koetsier aan. Een der dragers geeft het beest een flinken schop met zijn spoor. Jankend kruipt de hond het huis weer binnen.

Het aantal nieuwsgierigen is aanzienlijk verminderd. Een paar schooljongens en twee baliekluivers wandelen geduldig mede; de laatste spuwen groote plekken tabakssap voor zich uit op den modderigen grond. De koetsier schijnt te meenen, dat er wel wat haast bij de zaak gezet mag worden en legt de zweep over de paarden. Opgeschrikt stappen de bonken vlugger voort en maken het den volgers moeilijk, den wagen bij te houden.

De luitenant beveelt den koetsier een behoorlijk, zacht tempo te rijden; een nijdig mopperen is het antwoord; maar het gebeurt.

De doode zal tenminste, waar geen verwanten en bloemen zijn uitvaart luister bijzetten, eerbiedig en langzaam naar zijn graf gereden worden; in denzelfden gang, waarin gij, gewichtiger sterveling, uw laatste rit zult rijden.

Sluiten