Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een ongeveer twintigjarige werkman liep geboeid tusschen twee agenten, terwijl vóór en achter dit drietal een agent den stoet opende en sloot.

„Hij heit z'n petroon mit 'n mis gestoken," antwoordde een knaap, wien ik vroeg wat die man gedaan had.

De menschenklomp bewoog zich joelende en scheldende tegen de politie den Heiligenweg in.

Gedrongen tegen een winkelraam had ik moeite de dikke massa langs mij heen te laten trekken. De nauwe straat was opgepropt met nieuwsgierigen en volgelingen van den boosdoener, waarvan een gedeelte zich vóór-, een ander gedeelte luid tegen hem uitte.

Aan de andere zijde der straat stond iemand, dien ik in de laatste dagen meer had gezien, iemand, dien ik bepaald kende doch niet in mijn geheugen kon thuis brengen.

Hij had ook mij opgemerkt; wij keken elkaar scherp aan; wie ben jij toch?

„Pukkie," zei ik plotseling in me zelf; waarachtig hij was het, „de vroolijke Puk."

De dikke menschenmassa was gedund; wij kwamen naar elkaar toe. „Jij bent Pukkie," zei ik hem de hand toestekende. „En jij bent Van Doorn," antwoordde hij, mij de hand drukkende.

„We zijn elkaar al meer tegen gekomen," vervolgde ik, „maar je bent met die zware baard niet te herkennen. Wel, Puk, dat doet me genoegen."

„Ik ben je gisteren tegen gekomen op de Weteringschans, vlak bij de Vijzelstraat, maar je herkende mij niet," zei hij.

Sluiten