Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tinus.

DOOR

L. KLAVER.

De dorpsklok heeft zoo juist drie geslagen en het doffe gedreun, voortzwevende in den schemerigen dampkring, breekt de doodsche stilte, die over het eentonig vlakke kleiland tusschen het dorp en de kust eene beangstigende geheimzinnigheid spreidt. Het frissche briesje, de zwakke lichtglans in de hooge lucht en de kleurige wolkbank aan de kim kondigen de naderende komst der zonne, terwijl een kille dauw als een gazen kleed het vruchtbaar veld overdekt. De rivier ter linkerzijde slaat onrustig haar zwartblauwe golfjes tegen de drassige uiterwaarden en stuwt haar logge watermassa met het afloopend getij zachtjes voort naar zee.

Het stille, vriendelijke dorpje in de verte duikt schalks weg in een lommerrijk plantsoen en het spitse kerktorentje beurt wijsneuzig den gulden haan er boven uit, als om geheel den omtrek te bespieden. Rust, diepe rust. . .

De kwakers zijn reeds weggedoken in het hooge rietgewas aan den rand van den diepen kolk en niets wordt gehoord dan het scherpe gekrijsch van een troepje zeemeeuwen, onderbroken door het weifelend loeien van een

n. 4

Sluiten