Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tinus, dat was een opeter. Overal was hij te zwak voor, hij bracht zoo goed als niemendal thuis en hij moest niet denken, dat vader hem zijn heele leven voor niemendal den kost zou geven. Daar kwam niets van in; zijn logement was geen vetpot. Ja, vader Kloos had al jaren lang een logement gehouden, als de zekerste manier, om zonder een slag uit te voeren het kostje op te halen. Zijn logement — aldus betitelde vader Ivloos zijn inrichting gaarne — moest in hoofdzaak bestaan van doortrekkende reizigers, lieden, die vandaag hier, morgen elders verblijf hielden. Daaronder behoorden in de eerste plaats rondreizende kooplieden, die met allerlei kleine artikelen, zeep, garen, band, kammen, schrijfbehoeften, netjes geordend in een mand, de boeren afreisden, dan ook ketellappers, stoelenmatters, muzikanten, kermisklanten, in 't kort lieden, die bij zacht weer in de open lucht een slaapplaats zochten, maar bij kou en regen bij vader Kloos voor den nacht een onderkomen vonden. Leek een gast op het oo0 iets meer dan gewoon, dan sliepen Tinus en Evert op den grond — de jongens moesten overal tegen gehard zijn — in de eene bedsteè legden vader en moeder zich ter ruste, in de andere sliep de gast, allen te zamen in het kleine tochtige vertrekje met den killen bodem van gebroken vloersteenen. Den volgenden morgen ging de gast heen, nadat vader zuiver had afgerekend en de vreemdeling zich morrend had geschikt in den afstand van de stuivers, die bijna zijn verdienste van den geheelen dag uitmaakten; maar Kloos moest ook leven, hij kon er van den wind niet komen, hij deed niets voor niemendal, dat was zijn principe.

Sluiten