Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Evert. Naarmate het leven voor Tinus moeilijker werd, in diezelfde mate was Femme's medelijden met hem toegenomen. En als Tinus meer dan eens zei, dat hij weg zou loopen, had Femme zijne opgewondenheid gesust, wel wetende dat Tinus nog niet de kracht had in eigen behoeften te voorzien; later, later, had ze gezegd, als je sterk bent. Gekheid meende Tinus: Harmsen was ook niet sterk en die ging toch ook hooien en biezensnijden. En dan had Femme goedig geglimlacht.

Toen was het gebeurd, wat Femme zoo lang had gevreesd. Op een mooien voorjaarsdag had Evert een mandje met eieren gezonden en dit stond nu op tafel. Tinus zat in een hoek een hooivork te herstellen; Kloos telde de driemaandelijksche logementsverdienste. De stok van den vork was naar achter gericht en door een plotselinge beweging van Tinus schoof deze de eieren van de tafel, die alle te pletter vielen. Toen kende de woede van Kloos geen grenzen. „Jou ellendige opeter," riep hij driftig opstuivend, „zul je ons nu ook nog den boel vernielen," en op vloog hij, gaf Tinus een klap, dat deze tegen den muur rolde en een bloedende wonde aan het hoofd opliep. Maar nu stond Tinus daar met fonkelende oogen, hij balde de kleine vuist en met bevende trillende stem bracht hij uit: „Nu is het genoeg, ik ga er uit." „Tinus," had Femme geroepen, „doe het niet, en sussend voegde ze er aan toe: „Kom oom, het was een ongeluk." Maar dat was olie op het vuur. Kloos werd bleek van toorn en gilde: „Wat slet, die je bent, spreek jij dat kromhout nog voor." Nu was het Femme's beurt: „Oom, je bent een slecht vader." I inus stond in de deur, Kloos stond gereed zijn zoon

Sluiten