Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kringelen de vlammetjes om den zwartberookten ketel.

Hooger stijgt de zon. In een ommezien heeft ze den dauw weggevaagd en nu doet ze haar best de grassprietjes en biesstengels te drogen en te warmen. Haastig heeft Tinus zijn werkpak aangetrokken; nu springt hij inden bok ') en duwt hem zachtkens voort door den breeden geul naar de plek, waar hij het werk van den vorigen dag zal voortzetten. Ook Femme is haastig aan den arbeid getogen. Handig spreidt ze de donkergroene biezen gisteren uit zee aangevoerd waaiervormig uit op het gras, den eenen bos op den anderen, elkaar voor de helft bedekkend, terwijl ze onder de hand dwerrelstot banden in elkaar draait. Of ze zou huilen? God wat een vraag! Huil je niet altijd, als er iemand dood is? O Tinus, Tinus! Wat heeft ze niet met hem te doen, als hij er zoo bleek en vermoeid uitziet en zoo tristig voor zich heen staart. O, wat heeft ze geleden en wat zal ze misschien nog meer moeten lijden en hij ook, Tinus. Maar groote God, wat heeft ze dan toch voor verkeerds gedaan? Kan zij het helpen, dat Evert....

En nu, wat doet ze nu dan, waarvoor haar het leed kon opgelegd zijn, dat ze nu nog altijd lijdt, terwille van hem. Is het dan niet goed, dat ze zoo hard werkt, als ze maar kan? Is het niet goed, dat ze Tinus tracht over te halen om met dat biezensnijden op te houden? Is het dan niet goed, dat ze beiden, Evert en zij elkaar zoo weinig meer zien? God weet, hoeveel het haar kost. Zie, toen Evert zoo vaak kwam, vergat ze dikwijls des avonds, waarom ze zooveel verdriet had: als Evert haar

i) Schuit met platten bodem.

Sluiten