Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Voorschot,

DOOR

AL BERT S.

„Ik geloof, dat ik eens een eind maak aan dat voorschot geven," sprak de directeur eener kleine courant tot een der leden van de redactie, den vier-en-twintigjarigen Arnold Versteeg, die voor zijn medewerking aan het bedoelde blad het bescheiden inkomen van achthonderd gulden 'sjaars genoot. „Het helpt toch niet, het blijft toch hetzelfde. U komt immers elke maand terug."

„Ach mijnheer," poogde Versteeg zijnen tot „afdokken" niet bijster bereidvaardigen directeur te overreden, „moeder is weduwe en heeft maar een klein pensioentje... doe u het nog maar voor dezen keer,,, ik zal u zoo gauw niet weer lastig vallen."

„Ja, dat zegt u altijd . .. maar voor de maand half om is, hoor ik weer hetzelfde liedje ... 't Is werkelijk niet in uw voordeel dat elke maand voorschot opnemen ... Enfin, ik zal u voor deze maal nog helpen .. . Hoeveel wenschte u ook weer?"

„Vijf-en-twintig gulden, mijnheer."

Sluiten