Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was ruim zeven uur in den avond, toen ersteeg de woning zijner moeder verliet; het was omstreeks drie uur in den morgen toen hij er weder in terugkeerde en niet zonder krachtsinspanning er in slaagde, om zonder al te veel gestommel zijn kamertje op den zolder te bereiken.

Het bankbiljet was geslonken tot het luttele bedrag van enkele stuivers. Zijn schuld bij A an Asperen had méér bedragen dan vijftien gulden en met de vereffening er van was derhalve tevens het voor zijn kleermaker bestemde tientje aangebroken. In een vlaag van wanhoop en lichtzinnigheid had hij toen het overige geld er door gejaagd. Hij had gedronken, getrakteerd, gespeeld, had eindelijk met een zwaar hoofd en onvaste schreden nog een uur door de stille straten gezworven, en, half ontnuchterend in de frissche buitenlucht, zich zelve verwenscht om de dwaasheid van zooveel geld te verteren, dat, zoo het al te weinig ware geweest, om er zijn fatsoen tegenover den kleermaker mede op te houden, dan toch zeker zijn moeder uiterst te stade had gekomen. En in zijn wroeging over het gebeurde had hij dan weder naar verontschuldigingen voor zijn zwakheid gezocht en Van Asperen, zijn club-vrienden, zijn zuster vooral de oorzaken geweten van zijn jammerlijk gedrag.

Het was reeds dag en de musschen sjilpten dankbaar de komende zon tegen, aleer hij den slaap had gevat.

Hij werd gewekt door het draaien van de deur in haar scharnieren.

Zijn zuster kwam binnen en zette zich aan zijn bed neder.

„Ben je wakker?" vroeg ze.

Sluiten