Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu goed . .. dan ga ik nu weer naar beneden . ..", en haar oogen met een tip van den handdoek, dien zij in haars broeders lampetkom bevochtigd had, afwisschende, besloot zij op een toon, waarin hoop en teederheid klonken: „Ga jij nu nog maar wat slapen... Hoe laat zal ik je roepen?... Half elf?"

„Ja, dat is goed."

Maar Versteeg sliep niet meer, nadat zijn zuster was heengegaan. Hij was niet slecht, niet harteloos, hij was alleen zwak en lichtzinnig. En wat vooral zijn zelfverwijt folterend deed zijn, was het besef, dat hij, die gisteren reeds, zoo het heette, ten behoeve zijner moeder voorschot had gevraagd, dit onmogelijk heden her halen kon.

Toen hij op het bureau kwam, lag de eerste pagina van het bijblad op revisie te wachten. Hij was niet al te helder, een natuurlijk gevolg van zijn nachtelijke buitensporigheden en zijn onvoldoende nachtrust, terwijl bovendien het pijnigende vraagstuk, hoe hij twintig gulden moest machtig worden, voortdurend zijn aandacht afleidde.

Nadat hij een half uurtje soezend op de zwarte regels had gestaard, gaf hij het blad vrij wel ongecorrigeerd aan den wachtenden zettersjongen mede.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, sloeg hij zich door zijn verdere bezigheden heen, onderwijl zich angstig afvragende, of hij zich ten tweeden male zou verstouten, den directeur om voorschot te verzoeken, desnoods onder een berouwvolle bekentenis van het gebeurde en een volledige blootlegging van den stand van zaken.

Sluiten