Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Asperen bestudeerde de lei eenige oogenblikken.

„Een duur avondje, mijnheer. U heeft heel wat rondjes gegeven."

„Goed. Hoeveel is het?"

„Twee gulden zeven en tachtig cent."

„Goed. Over een paar dagen, tegelijk met het andere."

„Ja, ja," lachte de waard, terwijl Versteeg de deur

uitzwaaide, „droom er vannacht maar niet van."

*

* *

De eerste post bracht mevrouw Versteeg dien volgenden morgen, na een doorwaakten en doorweenden nacht, het volgende briefje:

„Geliefde Moeder!

Ootmoedig vraag ik vergiftenis voor al het leed, dat ik u heb aangedaan. Voor zoover in mijn vermogen ligt, zal ik trachten het goed te maken. Marie zal ik toonen, dat zij zich in mij vergist heeft.

Uw liefhebbende zoon Arnold."

Wat moest de arme vrouw denken? Wat Arnold ook voor mocht hebben, de toon dier weinige regelen bewees, dat hij berouw gevoelde, dat hij het goede wilde. Zij hoopte, zij hoopte.

„Wat zou hij van plan zijn, Marie?" vroeg zij haar dochter, die zij het briefje had laten lezen. „Zie-je, hij is toch niet slecht."

„Hij zal vandaag terugkomen," meende het meisje, „beterschap beloven, zich een poosje goed houden en dan . .

Sluiten