Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koortsachtigen spoed den geheelen brief door te jagen. „Jullie antwoord op den brief, waarin ik jullie alles uitvoerig over het ongeluk dat Frits getroffen heeft, schreef, zal mij nu wel niet meer hier bereiken. Over acht dagen volg ik dezen brief en kan dus over vier weken reeds thuis zijn. Ik verlang er zoo naar bij jullie allen te zijn met mijn kleinen Jan en wie weet, of ik mama ook nog niet eens kan weerzien? Dat denkbeeld geeft mij nieuwe krachten, het vooruitzicht van jullie weer te zullen zien, maakt, dat ik mij reeds minder ziek gevoel . .

Frits was dus gestorven en wij hadden daarvan geen bericht ontvangen? Hoe was dat mogelijk? Zou de familie Ebeling, die nu in Amsterdam woonde, daarvan ook niet op de hoogte zijn? Mijnheer Haersma had zich wel geheel met den ouden heer Ebeling gebrouilleerd, maar de familie Ebeling wist toch wel, dat Walter en ik ons niet gestoord hadden aan het verbod van mijnheer Haersma om de betrekking met het paartje in den vreemde te onderhouden.

Zou Walter het bericht ontvangen hebben en het mij niet medegedeeld hebben? Maar dat was ondenkbaar . ..

Wat moest ik doen? Aan wien zal ik mij wenden, om te weten hoe ik in dezen moet handelen? Deze gedachte vervulde mij geheel. Kwam Walter nu maar weer thuis of had ik zijn adres maar. Zou ik het papa gaan vragen? Ik durfde niet. „Ik zal je schrijven," had Walter gezegd. En eenige uren na Nels brief kwam de zijne. Ik had Anna gezegd aan iedereen zonder onderscheid belet te geven. Ik sloot nu nog zelfs de kamer-

Sluiten