Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was op een heerlijken Augustusmorgen, dat Siman zijne kampong naderde. Ofschoon de zon pas was opgegaan, krioelde het op den weg van desalieden, mannen en vrouwen, die naar de naburige passer gingen. Siman sloeg weinig acht op hen; zijn hart trok naar zijne desa, die hij daar links van den weg, aan den overkant der Salakleiding, liggen zag. Wat lag zij daar lief, hoe bekoorlijk stak het lichtgrijze waas, dat haar omhulde, tegen het donkere blauw van den Goenoeng Radja af, wiens breede begroeide top ver boven de hoogste klapperboomen uitstak! Schilderachtig verschool zich achter een bamboeboschje het witte bruggetje over de leiding, die het vruchtbaarmakende water naar de rijstvelden voerde. Welk eene stoïcijnsche natuur Siman misschien bezat, het terugzien van zijn dorp deed eene teedere snaar in zijn gemoed trillen; hij voelde zich tot zachtheid gestemd — ja, tot vergevensgezindheid jegens Ardiman, dien hij op eene sawah de karbouwen voor den ploeg zag spannen.

Groot was de verrassing van Si mans vrouw, toen zij haren man met haastigen tred het erf zag opkomen, nog grooter hare vreugde, toen hij haar had verteld, op welke wijze hij zijne vrijheid had teruggekregen.

Toen het avond was geworden, verliet hij ongemerkt zijne woning en sloeg den weg in naar de desa Grandakan, om Ardiman te noodigen op de slametan 2), die hij den volgenden avond geven zou.

Bandjarnegara, 1898.

i) Markt.

2) Eetpartij.

Sluiten