Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongen gaat nog niet heen en helpt den voerman eenige oogenblikken met inspannen. Deze neemt eindelijk de eenige teugel in zijn linkerhand en na een klappen met de tong hotst het voertuig de dorpsstraat uit.

De jongen kijkt het logge gevaarte eenige oogenblikken na en moppert dan:

„'t Is nooit niks meer tegeswoordig, nog geene cent veur 't anspannen, den dooven wordt er ook niet rejoalder op." Na deze bespiegeling keert hij naar huis terug, waarschijnlijk met het ernstige voornemen nog wat te gaan slapen op zijn stroozak.

Intusschen loopt onze vrachtrijder, (alias „den Dooven") met groote stappen zijner korte, ietwat kromme beenen in gebogen houding naast zijn paard voort.

Na de afrit heeft hij de toom over den rug van het dier geworpen en met lange forsche rukken laat hij de zweep knallen, iedere knal fel, nijdig als de uiting van een' innigen opgekropten haat tegen zijn lot, tegen de maatschappij, tegen het dorp, tegen iedereen.

Het groote paard blijft kalm en geregeld voortstappen. Het kent die muziek, zooals elk brabantsch dorpspaard haar kent, al overlegt het dier misschien bij zichzelf dat de baas zich al bizonder veel met zweepgeklapper inlaat als de vracht licht is en de zweep dus niet behoeft te worden gebruikt voor zijn armen rug.

Hotsend schuift de kar over den bosschen straatweg, nergens is in het vroege morgenuur eenig spoor van leven te zien. Alleen vliegt nu en dan een enkele vogel op verschrikt door de slagen als zoovele pistoolschoten, van de telkens met den gespierden korten linkerarm gezwaaide zweep.

Sluiten