Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thans eerst zien wij hoe vuil onze kleeding geworden is en spoedig zitten wij allen aan de boorden van een bergstroompje onze schoenen en kousen te wasschen. Gelukkig is de temperatuur zeer zacht geworden en blootsvoets wandelen wij weder naar de woning van den Pope, die ons een schaal met hard gekookte eieren voor zet en inmiddels, in een ouderwetschen vijzel, eenige stukken kwarts fijn stoot en vervolgens dit gruis in een houten schotel, onder voortdurend schudden en draaien en onder toevoeging van water, wascht. Langzamerhand vertoonen zich eenige gele puntjes op den bodem en de Pope verzekert ons, dat wij thans goud zien.

Daar wij meermalen aan de boorden van den Maros de goudwasschers bij hun arbeid hebben gadegeslagen, weten wij dat hij geen onwaarheid spreekt en bemerken zelfs, dat de hoeveelheid goudschilfers niet onbeduidend is.

Doch de dalende zon herinnert ons, dat wij nog een langen weg hebben af te leggen, wij nemen haastig afscheid van onzen vriendelijken gastheer, die niet te bewegen is iets voor het gebodene te aanvaarden en er slechts noode in toestemt, dat wij zijn dochtertje een kleinigheid aanbieden, wij bestijgen onze ossenwagens en schokkend en schuddend gaan wij thans weder bergafwaarts.

Wij genieten van de pracht van het landschap, dat stil en vaag in den opkomenden schemer ligt uitgestrekt. De ossendrijver neuriet zacht een liedje en een enkele vogel sjilpt zijn afscheid aan de scheidende zon.

Wij liggen lekker uitgestrekt in het hooi en, gewiegd

door den krakenden wagen, vallen wij in een diepen slaap, I. 2

Sluiten