Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting, hoe de reus het vuilgrijze zeewater de haven injoeg, dat uiteenspatte tegen de zware eikenhouten deuren van de sluis in den zeedijk, maar stijgend al hooger en hooger den weg dreigden over te klimmen, om zich met woest geweld te storten in het lage vlakke weiland tusschen den zeedijk en de lage kustkade, die eveneens dreigde te bezwijken onder de slagen van den

vertoornden reus.

En heel den donkeren Septemberavond klotsen de klompen hol over de dorpsstraat, als groepjes mannen naar de sluis togen, om angstig turend te ontdekken, hoever het kleierige zeewater was opgekropen langs de de peilschaal, het dan met hooge gillende stemmen, ten halve gesmoord door den loeienden stormwind toe te schreeuwen aan de menigte op den dijk, rillend met opgetrokken schouders onder de schokkende vlagen, het hoofd voorover gebogen met fladderende kleeren om de schouders en beenen, turend en starend in de donkere verte.

Oei-Oei. Gekke Janus schuift als een wigge door den feilen wind over den achterweg, vlak achter de kerk langs, wier spitse torentje beeft en schokt onder de omhelzingen van den reus. Dof brommen de slagen \an het middernachtelijk uur. Oei-oei; met korte ademstooten dringt hij voort, mummelend en mompelend. „De gloeiende draak zal komen met vlammende zwaarden en hij zal giftige schorpioenen spuwen." Oei-oei. Schuw ziet Janus achter zich. Links en rechts loeren zijn glinsterende oogen door de duisternis en de stormwind huilt al maar voort en geeselt de boomtoppen,

Sluiten