Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die wegdeinzen in den donkeren nacht. Als een wigge schuift hij voort, angstig omglurend, als zag hij duizend spookachtige verschijningen om zich heen dansen, gedragen door de ademstooten van den reus. De hooibergen zijn maar flauwtjes zichtbaar en steken hare roeden hoog omhoog in de lucht, als voelarmen van een voorwereldlijk monster, roerloos van angst onder den druk der hevige luchtgolven. Het plantsoen aan den voet van den dijk teekent zich af als een donkerzwarte vlek, die de zwakste verbeelding in beroering zou brengen, wanstaltige phantasiebeelden scheppend in den donkeren nacht. Oeioei. Het zware logge armhuis voorbij met zijn witte, kale muren, langs het hooge hek van het kerkhof, sidderend en bevend, als zweefden tusschen de grillig liggende en staande grafsteenen de geesten der afgestorvenen, dansend hand in hand, springend en zwevend tusschen de ruischende bladertoppen der hooge populieren onder het knarsen en schuren van het hek over de steenen en het piepen in zijn verroeste hengsels.

Niet altijd was Janus gek geweest. Er was een tijd, dat hij met Manus zijn tweelingbroeder zorgeloos rondhuppelde op de klaverweiden en kopje buitelde in het gras der rietlanden. Er was een tijd, dat ze samen hadden getold, gehoepeld en geknikkerd — gevischt, geroeid en gezeild in de haven — vuurtjes gestookt van de aangespoelde biesstoppels — gebaad en gezwommen bij de kribwerken — slootje gesprongen, geklauterd op de hooibergen, vogelnesten uitgehaald, vliegers opgelaten, schoolgegaan, schoolgebleven en strafregels gekrabbeld; —

Sluiten