Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een donkere Decemberavond, toen Janus een zoontje werd geboren. Drie weken later zat mooi Mientje dood zwak in de mooie voorkamer en haar kindje zag met zijn bleek gezichtje kwijnend op naar het vermagerde gelaat van de moeder.

De sombere grijze lucht braakte dichte sneuwvlokken, de twijgen van de knotwilgen bogen onder haar gewicht. De kappen der hooibergen waren geheel wit en zoo dicht vielen de zilveren vlokken, dat heel de hoeve wegschemerde tegen den grijzen hemel, ten halve aan het oog onttrokken door de witte wemelende, dwarrelende punten, die geheel het luchtruim vulden. In wilde reien kwamen ze al suizelend aandansen, millioenen kleine vlindertjes gelijk, stoeiend en dartelend in wilde vlucht.

Toen was het gebeurd, dat mooi Mientje plotseling de mondhoeken samentrok, de vuisten samenknelde, zoo, dat de kleine zou gevallen zijn, had Janus hem niet bijtijds gegrepen. En akelig verwrong zich het gelaat van mooi Mientje; ze viel van den stoel, strekte zich lang op den grond uit, rilde en beefde; het schuim kwam haar op den mond, nog akeliger vertrok het gezicht, de oogen rolden woest en wild in de oogkassen en Janus staarde zijn vrouw aan, ontzet, roerloos van schrik, want hij wist het, dat die verschrikkelijke zenuwtoevallen zich zouden herhalen, heviger, steeds meer verzwakkend en hij wist ook, wat het einde zou zijn.

Dat einde was gekomen. Twee lange jaren achtereen was de eene aanval op den anderen gevolgd, tot mooi Mientje vermagerd als een wezenlooze met slappen hals, doffe oogen, en bevende handen voor zich uitstaarde.

Sluiten