Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De spraak had ze al lang verloren en zoo ze opstond, ging ze voort, schokkend en stootend met de handen vooruit, zich nu hier dan daar vastgrijpend, totdat eindelijk het laatste oogenblik was gekomen en Janus zijn mooi Mientje naar het kerkhof bracht, heete tranen schreiend om zijn mooie vrouwtje, dat hij zoo hartelijk had liefgehad.

Wat had hij een verdriet! Weg was zijn mooie Mientje, zijn mooi vrouwtje, en hij beet zich op den zakdoek, toen zijn aardig moedertje in de grafkuil werd neergelaten en de doodgraver met een ruk de touwen onder de kist wegtrok.

En de dorpelingen zeiden, dat ze het wel voorspeld hadden. Er kon geen zegen rusten op het huwelijk met het kind van den Molenhof.

Maar toen ze zich hierover tegen Janus uitlieten, was deze boos geworden, erg boos. Immers Mientje was door ziekte getroffen, zooals hij en de dorpelingen ook ziek hadden kunnen worden, de duivel en de Molenhof hadden daarmee niets te maken, de sprookjes bleven sprookjes en de bakerpraatjes bleven onzin, klinkklare onzin.

De dorpelingen vonden Janus een verstokt stijfhoofdige, iets, wat ze heel niet van Janus gedacht hadden en bij voorbaat hadden ze al medelijden met deu ongelukkige, waarvan de domine beweerde, dat de booze hem zeker niet zou loslaten, nu hij hem eenmaal te pakken had. Mooi Mientje had als bruidschat een schoon stuk weiland aangebracht en toen er nu de roobol in verscheen, die zoo voortwoekerde, dat de boeren het land geen dubbeltje meer waard vonden, toen heette het dan ook,

Sluiten