Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nolleke was heel lief voor Keetje. Zij nam het hoofd van haar dochter tusschen haar handen en liet haar uitweenen, heelemaal uitweenen en toen Keetje geheel en al uitgehuild was, dat er geen traan meer was overgebleven, toen had Nolleke verstandig met hare dochter gesproken, maar Manus klemde de vingers ineen, omdat hij gevoelde, dat thans de logica zijner vrouw waarheid behelsde, die noch te loochenen, noch te bestrijden viel, een waarheid die in het hart van Keetje wortel had geschoten. Heel den langen dag had Keetje gehuild en heel den dag had Nolleke lieve, hartelijke troostwoorden gesproken, onderwijl haar egoïstisch harte trilde van vreugde en haar mond een schildering gaf van mooi Mientjes einde, oprakelende al de verhalen, die jaren lang in het dorp de gemoederen hadden beroerd. En Nolleke deed het met zulk een talent en Manus had zoo gezwegen als een stomme, toen Keetje riep: vader, zeg toch ook eens wat, dat Keetje nog den geheelen nacht wakend en peinzend had doorgebracht, maar des morgens stond ze op, zonder eenig spoor van tranen, kalm arbeidende of er niets was gebeurd.

Iedereen wist het, dat Keetje den jongen Janus had bedankt en dat Nolleke in eigen persoon was gekomen, om met haar neef verstandig te praten, zooals ze met Keetje had gedaan en men wist ook, dat Janus haar de deur had gewezen, het bevende Nolleke achtervolgende tot aan de grooten weg, waar ze weer rustig kon ademhalen. En de jonge Janus, van het ziekbed opgestaan, liep met bevende handen op het erf rond, zonder

Sluiten