Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Honden-praatje.

DOOR

G. S. DE CLERCQ.

Pourquoi les bêtes sont-elles toutes de ma familie, comme les hommes, autant que les hommes?

Emile Zola.

Ik houd van honden. Dit is geen verdienste, want ze hebben het er naar gemaakt. Als kind had ik geen trouwer speelmakker dan een klein zwart leeuwtje, 't Beestje volgde mij als mijn schaduw, speelde met mij krijgertje en verstoppertje, ging met mij op de muizenjacht, sliep op mijn kamer, wachtte mij eiken dag op in de spreekkamer met zijn kopje tegen 't raam gedrukt om mij van verre uit school te zien komen en verdedigde mij als er maar een vinger naar mij werd uitgestoken.

Later als jongmensch had ik een alleraardigst klein gladharig bruintje — een black-and-tan terrier — met spitse oortjes en pootjes als een potlood, vlug als een eekhoorn en zoo affectueus als een klein meisje. Dat beestje bracht in mijne „gemeubileerde kamers" wat leven en vroolijkheid. Als hij 's avonds mij den sleutel in de

Sluiten