Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik opende een deur en zag Tom op een keukenstoel liggen slapen. Een keukenstoel! Dien hadden wij hem thuis eens moeten presenteeren! Door 't piepen van de deur werd hij wakker. Tk had gedacht, dat hij zou opschrikken en kruipend — ook een „ventre-a-terre" in zijn soort — naar mij toe zou komen. Maar jawel. Hij bleef stil liggen en keek mij aan alsof hij mij niet kende. Indien de hond had kunnen spreken zou hij op dat oogenblik ongetwijfeld als zekere ontaarde zoon van zijn vader, gezegd hebben: „Die man mijn baas! menschen, hoe kom jullie er aan. Ik heb hem nog nooit gezien!"

Ik voelde, dat ik tegenover derden moeilijk uit de genegenheid van mijn hond mijn eigendom zou kunnen bewijzen en daarom nam ik mijn toevlucht tot een oud beproefd middel: ik bond Tom vast en zei: kom mee! Juist kwam de juffrouw van het café binnen.

„Zoo meneer," zei ze, „is dat uwes hondje, 't beesie doet anders niet erg blij."

„Dat komt omdat hij schuld voelt," zei ik. Het koordje had zijn dienst gedaan.

„Och," zei de juffrouw verder, ,,'t beesie kwam bij ons binnenloopen en ging zoo lief opzitten, dat we hem maar wat eten hebben gegeven. We dachten als zn baas hem weer hebben wil zal hij hem wel komen halen."

„Maar u had toch op den halsband kunnen zien waar hij thuis hoorde . ..

„O, staat dat er op, ja, daar kijken wij menschen zoo niet naar."

Nu kwamen de kinderen thuis, een paar jongens en een klein meisje gevolgd door twee honden en ze ver-

Sluiten