Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. {Knagend) Nee, nee, nee. Mijnheer — Chris, meneer de schilder. Wie is u? Wat hebt u toch.

C. Niets (houdt IV. vast).

W. (Wanhopig) O! o! (nijdig) Maar 't is uit hoor!

C. Ik zal maar heengaan.

H. Dat kunt u niet te snél doen.

C. Ga-je mee, Willem.

H. U is onwel opgevoed Mijnheertje — ik móet Willem spreken.

W. {Maakt zich van C. los, loopt naar H. en schreeuwt vóór hem, uit) Ik — blijf — niet!!

C. Wim ! — Wim!

H. (Ging achteruit, voor de deur). Jij — blijft — wél!! (zeer gebiedend en luid).

W. Dat zullen we 's zien {gaat naar H).

C. {Houd hem weer tegen).

a ader. {Deur gaat open waar H. tegen staat] deze wijkt). Ho, ho, ho {boos). Willem, — Hendrik, {ziet beiden nobelwaardig-streng aan). {Pauze).

C. {Staat kalm ter zijdo).

W\ {Maakt zijn das en boord in orde).

H. {Trotsch, handen op de rug).

A • {Ziet zijne zoons lang aan, daarna C. verstoord). Ongepast ! {mompelend).

H. Mag ik u even zeggen — —

V. Wacht — en zwijg!

H. (Geraakt, maar zegt niets, blaast).

V. Willem, verzoek je vriend een oogenblik heen te gaan.

C. Ik wilde dat juist doen, Mijnheer.

Sluiten