Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. Zou je Moe iets vermoeden?

Nee — maar we zullen haast maken. — Hè ik beef zoo — toe, hoe eer weg, hoe beter.

C. Heb-je alles goed bedacht, ben-je voor alles gereed?

W. Ik denk 't wel.

C. Hoe laat gaat de trein?

W. Over 'n uur.

R. En — o ja, — je adres.

W. Hier {geeft aan B).

C. Op de hei, — zoo, — 't zal er nu mooi zijn. Ik kom 's gauw bij je, — wat zijn 't voor menschen

waar je bij in-gaat?

W. Een ouwe boer en 'n boerin — ze zijn me door 'n kennis aanbevolen, die heeft 'r een maand geleefd. C. 't Kan 'r goed zijn, voor jou.

W. Kom je.

C. Zeker, — en — Wim heb-je nu iets om te doen, om daar — iets — te werken.

W. Ja, — maar 't is nog ver, — ik wou er van schrijven maar ik zie 't nog niet geheel {wijst vaag), 't zal wel groeien en dan — ja, misschien, ik ga maar kalm wachten tot 't me overkomt, — ik kan nog niets waars zeggen, — ja.

C. Maar — als de maand om is, — ik bedoel met 't geld, hoe is dat?

W. Ik had nog iets van me zelf.

R. En — dan stuur ik ook wat — of.

W. {Ziet naar R. dankt). {Pauze).

Sluiten