Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R. Praten jullie maar, hoor.

W. Dat zou je hinderen.

R. Nee, nee — niets, ik zal stil luisteren — maar doe 't schermpje voor de lamp neer — 't licht pikt net in mijne oogen, al doe ik ze toe.

W. (Doet V.) Zoo goed?

R. Ja — ja, praten jullie gerust, hoor.

C. Je bent toch niet koortsig?

R. (Glimlachend.) Nee — maar wat — moe.

w. 't Is vreemd, hè, (fluisterend)

C. (Zacht.) Ja, vreemd — droomen is vermoeiend.

"W . Ik droom ook veel — van mijn doen, van mijn leven en — schrijven.

R. Waarom fluisteren jullie — dat maakt me bang.

C. We dachten —

R. Spreek maar gewoon. (Sluit hare oogen) (Pauze)

W. Ik voel dat ik krachtiger word, in me — ik overvoel meer geheel, massaal — maar ik heb nog niet dat rustig, kalm weten en leven, zooals jij Chris.

C. Je ben ook nog niet af, hoor.

W. Nee — nee, ik zou nog niet terug willen gaan

tusschen de menschen — nee, nee — nog niet ik

ben nog niet geheel ontdooid.

C. Blijf maar wijs leven, dan groeit alles wel in je — t vormt zich langzaam, zooals in de natuur. Jij bent soms nog te ongeduldig, maar dat is 't gewone proces.

R. (Huivert).

W. (Schrok). Wat heb-je Rijntje, (gaat lot haar).

R. Ik ben wat koud — geef mijn doek 's, wil je?

W. (Geeft die). Ik zou maar wat gaan slapen.

Sluiten