Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R. Wat zie-je me — aan — ik ben toch Rijntje — ik ben 't toch — ik — Henk, {gaat tot hem) Henk. H. U moet niet bij me komen.

R. Maar — maar {verward), maar — zeg 't dan toch.

H. Ik verzoek u mij niet verder te hinderen, anders zal ik dadelijk heengaan.

R. {Weent). O — o. {Pauze).

H. {Is gaan zitten, hoed op).

R- {Springt plotseling op). Is — is er iemand — ziek

thuis — of — oom of tante. — Och God Henk — zeg t nou zeg 't nou — wat is 't?

H. Dat raakt u niet.

R. (Wanhopig). Maar Henk — ik — ik ben 't toch —

H. U schijnt uw mond niet te kunnen houden, {wil gaan).

R. Ja — ja — maar — o goeie, goeie God {staartin

t vertrek). {Pauze). {Vliegt weer op). Je — komt — Willem

halen. Je komt —

H. {Staat op). Uw broer, {glimlachend).

R. {Opgewonden). Maar — maar, die — die krijg-je niet {bij hem), die krijg je niet — die —

H. {Wil gaan).

R. {Houdt hem forsch tegen). Die — nee — wacht.

H. {Als een trotsche). Wat — wat — wilt u wel 's —

R. Nee — die krijg je niet — die is van mij — van

mij hoor je 't van mij — nee — wacht — die blijft

hier die — {laat hem los). Willem — Willem — ik

o 0a weg ga \\ eg toe of {bedenkt zich, gaat smeeken).

H. (Herstelt zich, koud).

Sluiten